Toponymische en etymologische opzoekingen leren ons dat Watou tijdens de 12e en 13e eeuw vermeld wordt onder de naam:Wathewa, Watuwes, Watue. Dit staat voor vochtig beemd, moerassige heide.

Filips IV verhief in 1629 Watou tot een graafschap met 4 heerlijkheden.

Het Wet(s)huis van het graafschap was gelegen op het Watouplein 2 met in de voorgevel de ingewerkte schandpaal waaraan overtreders van het gemene recht werden vastgekluisterd.

Van het kasteel uit 1620 waar ooit Lodewijk XIV met gevolg overnachtte, bleef alleen de toegangspoort over na de verwoesting in 1793 door generaal Van Damme, geboren in het naburige Cassel(F).

Het kasteel is niet voor het publiek geopend.

Watou is echter vooral bekend als kunst-en brouwersdorp.

Twee ambachtelijke brouwerijen leveren een uitgebreide selectie streekbieren

en het brouwersmonument (A.Vandroeme 1982) staaft deze stelling.

De St.Bavokerk is romaans van oorsprong (12e eeuw) maar in gotische stijl herbouwd en uitgebreid. Je treft er achteraan de praalgraven aan van de eerste graaf van Watou, Karel Van Ydeghem, en van zijn gemalin, Maria Van Cortewyle.

Ook de mysticus Karel Lodewijk Grimminck (1676-1728) vond vlak voor het altaar een laatste rustplaats. Hij leefde in een kluis bij het kerkje van het naburige gehucht Sint-Jan-Ter-Biezen. Zijn lijfspreuk luidde: “God is al, de rest is het niet.”

Het kerkhof rond de kerk met een groot aantal heldenzerkkruisjes (ontworpen door Joe English) herinnert aan een plaatselijk Vlaams bewustzijn.

De “bonde”, gebruikt bij de visvangst, symboliseert Watou’s verbroedering sinds 1985 met Mézieres-en-Brenne, waterrijk gebied in het Franse Indre-departement.